Spaanse olijven

Olijven zijn niet weg te denken uit de mediterrane keuken. De Spanjaarden hebben zo hun eigen kijk op deze kleine groene vruchten. Elke streek heeft een eigen manier van bereiden. Over het algemeen worden de grote olijven gebruikt om op te eten en de kleine soorten olijven worden verwerkt tot olie. Als je Spanje bezoekt, kun je in elke streek overal olie en olijven uit de streek kopen. Uit welk land nu oorspronkelijk de olijf komt, is te achterhalen. Het blijkt dat de olijfboom voor het eerst voorkwam in het gebied waar nu Israel, Libanon, Kreta en Cyprus liggen. Je zou kunnen zeggen dat olijven oorspronkelijk een ontdekking is van het joodse volk. Via de Arabieren en Romeinen werden de olijven meegenomen naar Spanje. Dat was nog voor onze jaartelling. De Arabische invloed zie je terug in het Spaanse woord voor olijf. Ze noemen de vrucht aceintuna en de olie aceite. Dit zijn de oorspronkelijke Arabische woorden. Spanje heeft meer dan 190 miljoen olijfbomen. Er groeien 70 verschillende soorten olijven. Vroeger werden de olijven uit Spanje gekocht door Italiaanse bedrijven, die er vervolgens een Italiaans etiket op plakten. Maar de Spanjaarden zijn het na verloop van tijd steeds meer zelf gaan produceren. Spanje is nu de grootste producent van olijfolie. In Spanje wordt de olie vooral gehaald uit de olijfsoorten picudo en picual. Het oogsten van olijven gebeurt tussen december en maart. De olijven worden handmatig met een stok uit de boom geslagen en verzameld in manden. Daarna worden ze gewassen en van balderen en stronken ontdaan. De olie wordt verkregen door de olijven te malen tussen grote, oude stenen. Daarna worden ze op schijven van kokosvezels verdeeld en hydraulisch geperst. Voor de productie van 1 liter olijfolie is niet minder dan 5 kilo olijven nodig.

Bron: Culinaire nieuwsbrief

Terug